Een paar jaar geleden kwam ik in een werk uit de derde eeuw na Christus een passage over vistechniek tegen die ik u niet wil onthouden. In zijn in het Grieks geschreven werk Over de aard van de dieren noteerde de Romeinse auteur Aelianus het volgende: ‘Tussen Boroca en Tessalonika loopt een rivier die de Astracus heet, waarin vissen met een gevlekte huid zitten [forellen].’ Vervolgens beschreef hij hoe de plaatselijke bewoners te werk gingen om deze vissen te vangen, namelijk met ‘een strik voor de vissen. Ze bevestigden wat karmozijnrode wol aan een haak, met twee veren eraan. Dan gooiden ze strik, de vis wordt aangetrokken door de kleur en komt naar boven in de hoop op een lekker hapje.’

Vissers gebruiken deze techniek nog steeds om vissen te lokken, in het Engels de Red Hackle genoemd (de ‘rode pluim’). Na enkele duizenden jaren is dit nog steeds een goede manier om forel te vangen.

Toen ik in dat oude werk over de natuur las, dacht ik: niet alles wat oud is, is ook passé, vooral mensen niet. Als je als tevreden en blijde oudere anderen iets van de volheid en diepte van God kunt laten zien, dan ben je nooit passé, hoe oud je ook wordt. Wie oud is hoeft zich niet te richten op de gezondheid die achteruit gaat, op alles wat vroeger beter was. Met de ouderdom kunnen ook rust, blijdschap, moed en mildheid komen, vruchten die te zien zijn bij hen die met God oud geworden zijn.

‘Ze staan geplant in het huis van de HEER, [. . .]. Zij dragen nog vrucht als ze oud zijn, en blijven krachtig en fris’ (Ps. 92:14-15).