Elias’ moeder zag dat haar vierjarige zoontje wegrende bij de mand met de pasgeboren katjes erin. Ze had hem gewaarschuwd dat hij ze niet mocht aanraken. ‘Heb je de katjes aangeraakt, Elias?’ vroeg ze.

‘Nee!’, zei hij ernstig. Dus zijn moeder stelde hem een andere vraag: ‘Waren ze zacht?’

‘Ja!’, zei hij blij, ‘en de zwarte miauwde.’

Bij een kleuter kunnen we er nog wel om lachen als hij je zo voor de gek probeert te houden. Maar de ongehoorzaamheid van Elias onderstreept tegelijk wel hoe wij als mensen eraan toe zijn. Een kleuter van vier heeft niemand nodig om hem te leren liegen. ‘Ik was al schuldig toen ik werd geboren,’ schreef David in zijn klassieke schuldbelijdenis, ‘al zondig toen mijn moeder mij ontving’ (Ps. 51:7). De apostel Paulus schreef: ‘Door één mens is de zonde in de wereld gekomen en door de zonde de dood, en zo is de dood voor ieder mens gekomen, want ieder mens heeft gezondigd’ (Rom. 5:12). Dit deprimerende nieuws geldt voor koningen en kleuters van vier, voor u en voor mij.

Maar dat betekent nog niet dat het hopeloos is. ‘Later is de wet erbij gekomen, zodat de overtredingen toenamen,’ zegt Paulus iets verderop, ‘maar waar de zonde toenam, werd ook de genade steeds overvloediger’ (Rom. 5:20).

God wacht niet af totdat wij de boel verpesten, zodat Hij lekker op ons in kan slaan. Genade, vergeving en herstel, dat is zijn handelsmerk. We hoeven alleen maar te erkennen dat onze zonde niet ‘schattig’ is en dat er ook geen excuus voor is, om dan in geloof en berouw tot Hem te gaan.