Bij een predikantsvrouw werd de ziekte van Parkinson vastgesteld. Het hele gezin kwam daardoor in een lastige, stressvolle situatie terecht. De predikant vroeg zich af hoe hij goed voor haar zou kunnen zorgen, terwijl hij ook nog zijn verantwoordelijkheden voor de kerkgemeenschap had. Maar hij had zich er geen zorgen over hoeven maken; allerlei leden van de gemeente hielpen uit eigen beweging door maaltijden klaar te maken en een deel van de zorg voor zijn vrouw op zich te nemen.

Aan de gemeente in Korinte schreef Paulus over het doel van de geestelijke gaven die de Heer hen geschonken had. Voordat hij in 1 Korintiërs 12:8-10 een opsomming van de grote variëteit aan gaven gaf, herinnerde hij hen eraan dat de Geest ‘in iedereen zichtbaar aan het werk is, ten bate van de gemeente’ (vers 7). God geeft ons zijn geestelijke gaven niet voor onszelf, maar om anderen (en zodoende ook Hem) te dienen.

We hebben allemaal verschillende gaven ontvangen, die we op verschillende momenten en verschillende manieren kunnen inzetten. Maar ze horen allemaal in liefde ingezet te worden tot opbouw van het ‘lichaam van Christus’ (Ef. 4:12). Welke plaats God ons ook gegeven heeft, we kunnen dat wat Hij ons gegeven heeft gebruiken waar we ook maar zien dat het nodig is, als herinnering aan het feit dat we allemaal onderdeel van de ene kerk—het lichaam van Christus—uitmaken (1 Kor. 12:13-14).