Het was een zondagavond in september, en de meeste mensen te in Londen lagen te slapen, toen er in de bakkerij van Thomas Farriner aan de Pudding Lane een klein vuurtje uitbrak. Al snel verspreidden de vlammen zich van huis naar huis en was Londen één grote vuurzee. Deze gebeurtenis staat bekend als de grote brand van 1666. Meer dan zeventigduizend mensen hadden geen dak meer boven hun hoofd, door de brand die viervijfde van de stad in de as legde. Zo veel verwoesting door één klein vuurtje.

In de Bijbel worden we gewaarschuwd voor een andere kleine maar uitermate verwoestende vlam. Jakobus dacht evenwel niet aangebouwen, maar aan het leven van mensen en hun relaties, toen hij schreef: ‘Zo is ook de tong een klein orgaan, maar wat een grootspraak kan hij voortbrengen! Bedenk eens hoe een kleine vlam een enorme bosbrand veroorzaakt’ (Jak. 3:5).

Maar de woorden die we spreken kunnen ook opbouwend zijn. In Spreuken 16:24 lezen we: ‘Een vriendelijke uitspraak is een korf vol honing, zoet voor de ziel en gezond voor het lichaam.’ En Paulus schrijft: ‘Uw spreken zij te allen tijde aangenaam, niet zouteloos; u moet weten, hoe u aan ieder het juiste antwoord moet geven’ (Kol. 4:6 NBG 1951). Zoals zout smaak aan het eten geeft, kunnen onze woorden door genade de smaak krijgen waarmee anderen opgebouwd worden.

Met de hulp van de Heilige Geest kunnen we met onze woorden mensen die lijden, die willen groeien in hun geloof of die Jezus nodig hebben maar Hem nog niet kennen, moed inspreken. Onze woorden kunnen een vuur blussen, in plaats van er één aan te steken.