Het was zaterdagochtend vroeg. Ik zat in mijn tweede jaar van de high school, en was op weg naar mijn baantje bij het plaatselijke bowlingcentrum. Ik had er echt weer zin in. De avond ervoor was ik tot laat gebleven om de modderige vloer te dweilen, omdat de conciërge zich plotseling ziek had gemeld. Ik had het niet nodig gevonden om mijn baas dat te vertellen, en wilde hem graag verrassen. Wat kon er tenslotte misgaan?, was mijn gedachte.

Heel wat, zo bleek die ochtend.

Toen ik het gebouw binnenstapte, stond er overal een paar decimeter water. Bowlingkegels, rollen toiletpapier en dozen met scorebriefjes dobberden erop. En opeens wist ik wat ik gedaan had: tijdens het dweilen had ik een grote kraan open laten staan. Hij had de hele nacht doorgelopen! Het was ongelooflijk, maar mijn baas begroette me met een flinke hug en een brede glimlach. Omdat ik het geprobeerd had, zei hij.

Saulus was er druk mee om christenen op te pakken en te mishandelen (Hand. 9:1-2). Maar toen hij op weg was naar Damascus, verscheen Jezus midden op de weg aan hem (vs. 3-4), en hield de toekomstige apostel zijn verkeerde daden voor. Door de ontmoeting was Saulus blind geworden, en daarom had hij een christen nodig om hem zijn gezichtsvermogen terug te geven: Ananias (vs. 17).

Dat is alvast één ding dat Paulus en ik gemeen hadden: we hebben onverwachte genade ervaren.

De meeste mensen beseffen niet hoe slecht ze eraan toe zijn. Hun leven is een zooitje, maar ze hebben het niet door. Hun moet niet de les geleerd, maar hoop op uitredding geboden worden. Strenge gezichten en scherpe woorden kunnen hun het zicht daarop benemen. Net als Ananias of mijn baas moeten volgelingen van Jezus het gezicht van die genade worden, wanneer ze mensen tegenkomen die een nieuw leven nodig hebben.