Een paar jaar geleden maakte de plaats waar ik woon een ongebruikelijk lange periode van lage temperaturen door, voordat het voorjaar de kou met warmer weer verdreef. Twee weken achter elkaar zakte de thermometer in de tuin een flink eind onder de nul graden. Soms was het wel -20°C.

Op een van de koudste ochtenden verbrak het geluid van tsjilpende vogels de stilte van de nacht. Tientallen of zelfs honderden van hen zongen uit volle borst hun lied. Als ik niet beter had geweten, zou ik gedacht hebben dat de beestjes hun Schepper smeekten om de verwarming aan te zetten.

Van vogelkenners heb ik begrepen dat de vele zangvogels die je aan het eind van de winter kunt horen fluiten, dat doen om wijfjes aan te trekken en hun territorium af te bakenen. Hun gefluit herinnerde me eraan dat God zijn schepping zo gemaakt heeft dat het leven voortgezet wordt. Hij is nu eenmaal een God van het leven.

Een psalm waarin verwondering over Gods bloeiende aarde doorklinkt, begint met de regel ‘Prijs de HEER, mijn ziel’ (Ps. 104:1). Iets verderop schrijft de dichter nadat hij het leven op de aarde beschreven heeft: ‘Daarboven wonen de vogels van de hemel, uit het dichte groen klinkt hun gezang’ (vs. 12).

Van fluitende vogels die nesten bouwen tot de wijde zee ‘waar het wemelt, zonder tal, van dieren, klein en groot’ (vs. 25), zien we duizenden redenen om de Schepper te prijzen om alles wat Hij heeft bedacht om ervoor te zorgen dat alles wat leeft groeit en bloeit.