Toen ik in de winkel was omdat ik een luchtbevochtigingsapparaatje wilde kopen, zag ik een oudere dame die tussen de gangpaden heen en weer liep. Ik vroeg me af of zij hetzelfde moest hebben als ik, en deed een stapje opzij om haar erbij te laten. Al snel raakten we aan de praat over de griep die in onze streek heerste. Ze was er zelf ook slachtoffer van geweest en had er een nare hoest en hoofdpijn aan overgehouden.

Al snel begon ze aan een bittere tirade en kreeg ik haar theorie over de oorsprong van het virus over me heen uitgestort. Ik luisterde, maar wist niet goed hoe ik moest reageren. Nog steeds boos en gefrustreerd liep ze de winkel weer uit. Ze had haar frustratie eruit gegooid, maar ik kon niets doen om haar boosheid te verzachten.

De tweede koning van Israël, David, schreef psalmen om aan zijn boosheid en frustratie met God lucht te geven. Maar David wist dat God niet alleen luisterde, maar er ook iets aan kon doen om zijn pijn te verlichten. Hij schreef bijvoorbeeld: ‘Van het einde van de aarde roep ik u aan, want mijn hart bezwijkt. Breng mij op de rots hoog boven mij’ (Ps. 61:3). God was zijn ‘schuilplaats’ (vs. 4), de ‘rots’ waar David zijn toevlucht zocht.

Als je lijdt of in contact komt met iemand die het moeilijk heeft, dan is het goed om Davids voorbeeld te volgen. Begeef je naar de ‘rots hoog boven je’, of breng de ander daarnaartoe. Ik zou willen dat ik die vrouw in de winkel op God had gewezen. Hij neemt niet altijd direct je boosheid en pijn weg, maar je mag rust vinden in de vrede die Hij geeft en in de zekerheid dat Hij je hulpgeroep hoort.