Sportfans hebben vaak allerlei liedjes waarmee ze hun favoriete teams de hemel in prijzen. Een echte supporter draagt het logo van zijn team, zet berichtjes erover op Facebook of praat erover met zijn vrienden. Een echte fan laat er geen twijfel over bestaan waar zijn loyaliteit ligt. Uit mijn eigen petjes en shirts van de Detroit Tigers en het feit dat ik vaak over ze praat, blijkt wel dat ik zelf ook zo ben.

Deze voorliefde voor een bepaalde sportclub kan je eraan herinneren waar je ware en grootste loyaliteit ligt, als het goed is: bij de Heer. Als ik Psalm 34 lees, proef ik iets daarvan. De dichter, David, richt onze aandacht daar op Iemand die oneindig belangrijker en onmisbaarder is dan wat er ook maar op aarde te vinden is.

‘De HEER wil ik prijzen, elk uur van de dag’, zo begint David (vs. 2). Dit maakt dat ik me afvraag hoe het mogelijk is dat er nog zoveel perioden in mijn leven zijn, waarin ik me gedraag alsof God niet onze enige bron van waarheid, licht en redding is. ‘Mijn mond is altijd vol van zijn lof’, zo gaat de dichter verder (vs. 2), en je vraagt je af hoe vaak je de dingen van deze wereld meer lof toedraagt dan Hem. ‘Laat mijn leven een loflied zijn voor de HEER’, en je beseft hoe vaak je het meer hebt over je eigen ‘succesjes’, dan over alles wat de Heer gedaan heeft.

Het is heus niet verkeerd om van sport te genieten en je favoriete team te hebben, of om trots te zijn op iets wat je gepresteerd hebt. Maar bewaar je hoogste lof altijd voor de Heer. ‘Roem met mij de grootheid van de HEER, sluit u aan om zijn naam te verheffen’ (vs. 4).