Als jong meisje zat ik samen met mijn twee zussen graag boven op de grote met cederhout beklede kist van mijn moeder. Daarin bewaarde ze onze wollen truien en het borduuren haakwerk van mijn grootmoeder. Ze hield erg van wat er in de kist zat en ging ervanuit dat de scherpe geur van het cederhout de motten uit de kist weg zou houden, zodat de inhoud veilig bewaard bleef.

De meeste aardse bezittingen kunnen gemakkelijk door roest of insecten worden verwoest of zelfs gestolen worden. In Matteüs 6 worden we aangemoedigd om onze aandacht speciaal te richten op de dingen die geen beperkte levensduur, maar eeuwige waarde hebben. Toen mijn moeder op haar vijfenzeventigste overleed, had ze niet veel aardse bezittingen verzameld, maar ik denk graag aan de schatten die ze in de hemel verzameld had (vs. 19-20).

Ik herinner me duidelijk hoeveel ze van God hield, en hoe ze Hem op haar eigen, rustige manier diende. Ze zorgde trouw voor haar gezin, gaf les op de zondagsschool, sloot vriendschap met een vrouw die door haar man in de steek was gelaten, troostte een jonge moeder die haar kindje verloren had. En ze bad. Zelfs toen ze haar gezichtsvermogen was kwijtgeraakt en in een rolstoel terechtgekomen was, bleef ze mensen haar liefde tonen en voor hen bidden.

Onze echte schat wordt niet afgemeten aan de bezittingen die we verzamelen, maar aan dat waarin we onze tijd investeren en onze passie leggen. Welke ‘schatten’ verzamel je in de hemel, wanneer je Jezus dient en volgt?