‘Elke keer als je diep in de zee gaat en je een monster neemt, vind je weer een nieuwe soort.’ Dat zegt marinebioloog Ward Appetans. Recentelijk hebben wetenschappers in één jaar tijd 1451 nieuwe levenssoorten in de diepzee ontdekt. We hebben er echt geen idee van wat er daar allemaal leeft.

In Job 38-40 gaat God in vogelvlucht over zijn schepping. Drie poëtische hoofdstukken lang wijst Hij Job op wonderlijke weersverschijnselen, de enorme omvang van het heelal en alle mogelijke levende wezens in hun eigen habitat. Dat zijn dingen die je kunt waarnemen. Vervolgens spreekt God een heel hoofdstuk lang over de mysterieuze Leviatan (in de NBV wordt hij ‘krokodil’ genoemd, maar dat lijkt wat te zwak). De Leviatan is een uniek schepsel met een ondoordringbaar pantser (Job 41:5), machtige dijen (vs. 4) en beangstigende tanden (vs. 5). ‘Brandende fakkels komen uit zijn bek . . . zijn neusgaten walmen, als een kokende ketel of rokend riet’ (vs. 11-12). ‘Hij heeft op aarde zijn gelijke niet’ (vs 25).

Oké, dus God heeft het over een enorm schepsel dat niemand van ons ooit in het echt gezien heeft. Is dat het waarom het in Job 41 draait?

Nou nee. In Job 41 wordt veeleer ons inzicht in Gods verrassende aard verbreed. In Psalm 104 gaat de dichter daarop verder: ‘Zie hoe wijd de zee zich uitstrekt. Daar wemelt het, zonder tal, van dieren, klein en groot . . . daar gaat Leviatan, door u gemaakt om ermee te spelen’ (vs. 25-26). Na de afschrikwekkende omschrijving in het boek Job krijgen we te horen dat dit meest beangstigende dier ooit voor God slechts een speeltje is.

In het hier en nu kunnen we de oceanen verkennen. Straks hebben we een eeuwigheid om de wonderbaarlijke eigenschappen van onze grote, mysterieuze, creatieve God te ontdekken.