Een van de kasbedienden in mijn bank heeft een foto van een Shelby Cobra op het raam van zijn loket zitten. De Cobra is een open sportwagen uit de stal van Ford.

Toen ik op een keer bij de bank moest zijn, vroeg ik hem of dat zijn auto was. ‘Nee hoor,’ zei hij, ‘dat is mijn passie, de reden dat ik elke ochtend opsta en naar mijn werk ga. Eens hoop ik zo’n auto te bezitten.’

Ik begrijp de passie van deze jongeman wel. Een vriend van me had ooit een Cobra, en ik heb er wel eens in mogen rijden. Dat is nog eens een auto! Maar evenmin als wat dan ook in deze wereld is een Cobra het waard om ervoor te leven. Mensen die op andere dingen dan God vertrouwen ‘buigen en vallen ter aarde’, zoals in Psalm 20:9 staat.

Dat komt doordat we voor God geschapen zijn, en niets kan Hem vervangen. Dat is een feit dat in onze dagelijkse ervaring steeds weer bevestigd wordt: je koopt iets omdat je denkt dat het je gelukkig maakt, maar als een kind dat tien of meer Sinterklaascadeaus krijgt, vraag je je af: ‘Is dat alles?’ Altijd mist er nog iets.

Niets van wat deze wereld je te bieden heeft kan je werkelijk bevredigen. Dat geldt zelfs voor dingen die op zich echt goed zijn. Ze geven een zekere mate van genot of vreugde, maar dat is een gevoel van geluk dat je al snel weer ontglipt (1 Joh. 2:17). Het is zoals C. S. Lewis concludeerde: ‘God kan ons geen geluk en vrede geven los van Hemzelf. Dat bestaat gewoon niet.’