In de roman Woeste Hoogten van Emily Brontë komt een twistzieke man voor die voortdurend met bijbelcitaten op de proppen komt om zijn medemensen te bekritiseren. In het boek wordt deze figuur omschreven als de ‘meest vermoeiende zelfgenoegzame farizeeër die ooit een Bijbel plunderde om zichzelf de beloften toe te eigenen en de vervloekingen naar zijn buren te slingeren’.

Dat is wel een grappige omschrijving. Je ziet er misschien zelfs bepaalde gezichten bij. Maar zijn we allemaal niet een beetje zo? Snel geneigd om de fouten van de ander te veroordelen terwijl we die van onszelf goedpraten?

In de Bijbel komen mensen voor die verrassend genoeg precies het tegenovergestelde doen: ze zouden bereid zijn Gods beloften aan zichzelf op te geven of zelfs vervloekt te worden, als daardoor anderen gered konden worden. Neem Mozes, die liever uit Gods boek geschrapt zou worden dan dat God de Israëlieten geen vergeving zou schenken (Ex. 32:32). Of Paulus, die ervoor zou kiezen ‘van Christus gescheiden te zijn’ als dat betekende dat zijn volksgenoten Hem daardoor zouden vinden (Rom. 9:3).

Hoe zelfgenoegzaam wij vaak ook zijn, in de Bijbel worden mensen in de schijnwerpers gezet die meer om anderen geven dan om zichzelf.

Een dergelijke liefde wijst ten diepste naar Jezus. ‘Er is geen grotere liefde,’ zegt Hij, ‘dan je leven te geven voor je vrienden’ (Joh. 15:13). Nog voor wij Hem kenden (of zelfs maar geboren waren) had Jezus ons ‘tot het uiterste’ lief (13:1): Hij koos ervoor te sterven om ons het leven te geven.

En nu worden wij uitgenodigd om bij het gezin van God te komen en ook deel te krijgen aan die liefde (15:9-12). Als wij op onze beurt die onvoorstelbare liefde van Jezus aan anderen doorgeven, vangt de wereld een glimp op van Hem.