Toen ik in een kankerkliniek voor mijn moeder zorgde, leerde ik Lori kennen. Ook zij was mantelzorger en woonde met haar man Frank in dezelfde gang als wij. Lori en ik deelden veel met elkaar en met haar kon ik kletsen, lachen, huilen en stoom afblazen. We hadden veel steun aan elkaar terwijl we voor onze dierbaren zorgden.

Op een dag was ik te laat voor het gratis busje dat bewoners van de kliniek vervoerde als ze boodschappen moesten doen. Lori bood aan me later op de dag naar de winkel te brengen. Met tranen van dankbaarheid nam ik haar aanbod aan. ‘Dank je wel dat je er bent,’ zei ik. Ik waardeerde haar zeer om wie ze was, niet alleen om wat ze als vriendin voor me deed.

Psalm 100 is een lied waarin veel waardering voor God doorklinkt om wie Hij is (en niet alleen om wat Hij voor je doet). De dichter roept ‘heel de aarde’ (vs. 1) op om de Heer te dienen ‘met vreugde’ (vs. 2). Hij weet dat ‘de Heer God is’ (vs. 3). We mogen in de aanwezigheid van onze Schepper komen en Hem ‘hulde brengen’, ‘zijn naam prijzen’(vs. 4). We zijn Hem onze blijvende dankbaarheid verschuldigd, want ‘de HEER is goed, zijn liefde duurt eeuwig, zijn trouw van geslacht tot geslacht’ (vs. 5).

God is en blijft de Schepper en Onderhouder van het heelal en tegelijk de Vader die ons op intieme wijze liefheeft. Hij verdient altijd onze vreugdevolle dankbaarheid.