In zijn boek Christmas Every Day vertelt de Amerikaanse schrijver William Dean Howells over een meisje dat haar liefste wens vervuld ziet. Een verschrikkelijk jaar lang is het elke dag Kerst. Op de derde dag begint de feestvreugde al af te nemen. Al snel haat iedereen snoep. De kalkoen wordt met uitsterven bedreigd en is niet meer te betalen. Niemand is nog blij met de cadeautjes die hij krijgt; overal stapelen ze zich op. Mensen beginnen boos tegen elkaar uit te vallen.

Gelukkig is Howells verhaal slechts fictie, een satire. Maar wat een ongelooflijke zegen is het dat we de reden dat we Kerst vieren nooit beu worden, ook al komen we Hem om wie het draait overal in de Bijbel tegen.

Nadat Jezus naar zijn Vader is gegaan, verkondigt de apostel Petrus voor een grote menigte in Jeruzalem dat Jezus degene was over wie Mozes het al had, toen hij zei: ‘De Heer, uw God, zal in uw midden een profeet zoals ik laten opstaan’ (Hand. 3:22). Gods belofte aan Abraham, dat ‘in jouw nageslacht alle volken op aarde gezegend zullen worden’, was in feite een heenwijzing naar Jezus (Hand. 3:25; Gen. 22:18). Zoals Petrus zegt: ‘(. . .) alle profeten hebben deze tijd aangekondigd’, namelijk de komst van de Messias (Hand. 3:24).

We kunnen de geest van Kerst levend houden wanneer het feest zelf allang voorbij is. Als je Jezus in het hele verhaal van de Bijbel waarneemt, dan begrijp je pas goed dat Kerst absoluut geen ‘dag als alle andere’ is.