Hij wist dat hij het niet had moeten doen. Ik kon duidelijk zien dat hij wist dat het verkeerd was: zijn gezicht sprak boekdelen. Toen we gingen zitten om erover te praten wat hij gedaan had, kneep mijn neefje snel zijn ogen stijf dicht. Zo zat hij daar en dacht met de logica van een driejarige peuter dat ik hem niet kon zien, als hij zijn ogen maar dicht hield. En als hij onzichtbaar voor mij was, dan kon hij het gevreesde gesprek met mij (en de gevolgen daarvan) ontlopen.

Ik was erg blij dat ik hem op dat moment wel kon zien. Natuurlijk kon ik niet goedkeuren wat hij gedaan had, en we moesten er echt even over praten. Toch was het laatste wat ik wilde, dat er iets tussen ons in zou komen. Ik wilde dat hij me aan zou kijken en kon zien hoeveel ik van hem hield, en hoe graag ik hem wilde vergeven. Op dat moment meende ik een glimp op te vangen van het gevoel dat God misschien had toen Adam en Eva in de tuin van Eden zijn vertrouwen beschaamden. Ze beseften hun schuld en probeerden zich voor God te verstoppen (Gen. 3:10). Maar Hij zag hen even duidelijk als ik mijn neefje zag.

Als je beseft dat je iets gedaan hebt dat fout was, dan wil je vaak de gevolgen ervan ontlopen. Je vlucht ervan weg, verbergt het of sluit je ogen voor de waarheid. Weliswaar houdt God je naar zijn heilige norm verantwoordelijk, maar toch ziet (en zoekt) Hij je omdat Hij van je houdt en je door Jezus Christus vergeving aanbiedt.