Toen ik laatst met een vriendin sprak, vertelde ze waarom ze haar geloof vaarwel gezegd had. Daarbij hoorde ik een vaak geuite klacht: Hoe kan ik geloven in een God die nooit iets lijkt te doen? Met deze ongelooflijk lastige vraag worden we allemaal wel eens geconfronteerd, als we over al het geweld horen in het nieuws of onze eigen ellende meemaken. Uit de wanhoopskreet van mijn vriendin bleek haar intense behoefte aan een ingrijpen van God in haar ellende, een gevoel dat we allemaal wel kennen.

Het volk Israël wist hier ook alles van. Het Babylonische Rijk had het land onder de voet gelopen en met een ijzeren vuist verpulverd. Jeruzalem was in een rokende puinhoop veranderd. De profeet Jesaja bracht de sombere twijfel van het volk onder woorden: Waar is nu die God die ons zou moeten uitredden? (Jes. 63:11-15). En toch bidt Jesaja vanuit die positie een moedig gebed tot God: ‘Scheurde u maar de hemel open om af te dalen’ (vs. 19). Jesaja’s pijn en verdriet brachten hem er niet toe om God vaarwel te zeggen, maar juist om dichter naar Hem toe te gaan.

Onze twijfels en moeiten duiden op een merkwaardige gave: ze laten zien hoezeer we verloren zijn, en het nodig hebben dat God naar ons toekomt. Daarmee krijgen we een blik op dat merkwaardige, onwaarschijnlijke verhaal: in Jezus scheurde God inderdaad de hemel open en kwam Hij naar ons toe. Christus gaf zijn eigen gescheurde en gebroken lichaam als offer, zodat Hij ons kon overweldigen met zijn liefde. In Jezus komt God heel dichtbij.