Het meest waanzinnige, betoverende moment van de Winterspelen van 2018 was misschien wel dat waarop de Tsjechische wereldkampioene snowboarden Ester Ledecka een medaille haalde in een heel andere tak van sport: skiën. Ze won goud terwijl ze op de 26e plek gestart was, een vrijwel onmogelijke prestatie.

Verbazingwekkend genoeg kwalificeerde Ledecka zich voor de super-G, waarbij je een helling afskiet via een slalomtraject. Toen ze ook die won, met een marge van 0,01 seconde en op geleende ski’s, was ze zelf net zo geschokt als de media en de andere deelnemers, die er allemaal vanuit waren gegaan dat een van de topskiërs zou winnen.

Zo werkt dat in de wereld. Je gaat ervan uit dat winnaars blijven winnen, en dat alle anderen verliezen. Het kwam dan ook als een schok, toen de discipelen Jezus hoorden zeggen: ‘Ik verzeker jullie: slechts met grote moeite zal een rijke het koninkrijk van de hemel binnengaan’ (Mat. 19:23). Jezus zette alles op de kop. Hoe kan rijk-zijn (winnaar zijn) nu een obstakel voor iets zijn? Kennelijk is het zo dat het vrijwel onmogelijk is om op God te vertrouwen, wanneer je je vertrouwen stelt in wat je hebt (of wat je kunt, of wie je bent).

Het koninkrijk van God volgt andere regels dan die van ons. ‘Vele eersten zullen de laatsten zijn,’ zegt Jezus, ’en vele laatsten de eersten’ (vs. 30). En of je nu laatste of eerste bent, alles wat je ontvangt, krijg je alleen door genade, dankzij Gods onverdiende gunst.