In de Amerikaanse stad Boston is er een gedenkplaat die heet ´Crossing the Bowl of Tears´, ´Oversteken van de kom van tranen´. Hiermee worden herdacht de mensen die de oversteek over de Atlantische Oceaan maakten om aan de dood te ontsnappen na de rampzalige hongersnood in Ierland halverwege de negentiende eeuw. Bij die ramp kwam meer dan een miljoen mensen om, en waagde nog eens een miljoen of meer de oversteek over de oceaan, die de dichter John Boyle O’Reilly de poëtische bijnaam de ‘kom van tranen’ gaf. Gedreven door honger en ellende zochten ze wanhopig naar hoop in die donkere jaren.

In Psalm 55 laat David zien hoe hij op hoop joeg. We weten niet precies wat de bedreiging inhield waarmee hij te maken had, maar de druk van zijn ervaring was zwaar genoeg om hem in emotioneel opzicht tot een wrak te maken (vs. 5-6). Zijn instinctieve reactie was om te bidden. ‘Had ik maar vleugels als een duif, ik zou opvliegen en neerstrijken’ (vs. 7).

Net als David willen we soms wel wegvliegen om te vluchten uit onze zware of verdrietige omstandigheden. Maar nadat hij zijn ellendige toestand heeft ‘bezongen’, kiest David ervoor om niet van zijn ellende weg te vluchten, maar naar God toe. ‘En ik?’, schrijft hij, ‘Ik roep tot God, de HEER zal mij redden’ (vs. 17).

Als de tijden zwaar zijn, bedenk dan dat de God van de troost in staat is om je door de donkerste momenten en diepste angsten heen te dragen. Hij belooft dat Hijzelf eens alle tranen uit onze ogen zal wissen (Op. 21:4). Gesterkt door die zekerheid kunnen we ons nu, mét onze tranen, met een gerust hart aan Hem toevertrouwen.