Thomas wist wat hem te doen stond. Hij was ter wereld gekomen in een arm gezin in India en daarna door een Amerikaans echtpaar geadopteerd. Toen hij als jong volwassene naar zijn geboorteland reisde, zag hij met eigen ogen hoe moeilijk de kinderen in de plaats waar hij geboren was het hadden. Hij besloot dat hij iets voor hen moest doen. Hij maakte plannen om naar de VS terug te gaan, zijn opleiding af te ronden, veel geld te sparen en daarna naar India terug te komen.

Tijdens zijn verblijf in India las hij op een gegeven moment wat Jakobus in zijn brief schrijft: ‘Wat heeft het voor zin als iemand zegt te geloven, maar hij handelt er niet naar?’ (Jak. 2:14). Direct daarna hoorde hij ergens een klein Indiaas meisje roepen: ‘Maar mammie, ik heb nú honger!’ Onwillekeurig dacht hij terug aan de intense, hongerige momenten die hij zelf als klein kind had beleefd. Thomas wist dat hij niet nog eens jaren kon wachten voordat hij er iets aan zou doen. Hij besluit ter plekke om direct te beginnen.

Tegenwoordig wonen in het weeshuis dat hij startte vijftig goed gevoede en verzorgde kinderen die over Jezus leren en naar school gaan. En dat allemaal omdat één man besloot om niet uit te stellen wat God van hem vroeg.

Wat Jakobus schrijft is ook op ons van toepassing. Ons geloof in Jezus Christus brengt vele voordelen met zich mee: een relatie met de Heer, een leven in overvloed en hoop voor de toekomst. Maar wat heeft het voor zin voor de ander als je niet je armen uit de mouwen steekt en mensen helpt die in nood zitten? Kun je hen horen roepen: ‘Ik heb nú honger!’?