Een muis met een schrille stem, Reepicheep, is misschien wel de moedigste figuur uit de Kronieken van Narnia. Hij wierp zich in de strijd, zwaaiend met zijn piepkleine zwaard. Hij wees alle angst de deur uit toen hij op de Dawn Treader naar het Duistere Eiland voer. Wat was het geheim van Reepicheeps moed? Dat was zijn verlangen naar het land van Aslan, dat voor hem altijd voorop stond. ‘Dat is waarnaar mijn hart het meest verlangt,’ zie hij. Reepicheep wist wat hij werkelijk wilde, en dat bracht hem uiteindelijk bij zijn koning.

Bartimeüs, een blinde man uit Jericho, zat op zijn vertrouwde plek en rammelde met zijn beker zodat mensen er muntjes in zouden gooien toen hij hoorde dat Jezus en de massa die Hem omringde dichterbij kwamen. Hij riep het uit: ‘Zoon van David, heb medelijden met mij!’ (Mar. 10:47). De mensen probeerden hem het zwijgen op te leggen, maar Bartimeüs liet zich door niets weerhouden.

‘Jezus bleef staan,’ schrijft Marcus (vs. 49). Midden tussen de mensen wilde Jezus horen wat Bartimeüs te zeggen had. ‘Wat wilt u dat ik voor u doe?’ vroeg Hij.

Het antwoord lijkt vanzelfsprekend en Jezus moet het sowieso al geweten hebben. Maar kennelijk geloofde Hij dat er iets zou gebeuren wanneer Hij Bartimeüs zijn diepste verlangen liet uitspreken. ‘Meester, zorg dat ik weer kan zien,’ zei hij (vs. 51). En toen Jezus Bartimeüs naar huis stuurde, zag hij voor het allereerst kleuren, schoonheid en de gezichten van zijn vrienden.

Niet alle verlangens worden onmiddellijk vervuld, en onze verlangens moeten ook nog al eens veranderd worden. Toch gaat het er nu vooral om dat Bartimeüs precies wist wat hij wilde, en daarmee bij Jezus kwam. Als we er echt op letten, zullen we merken dat onze ware verlangens en wensen ons altijd bij Jezus brengen.