Romeinse herbergen in de tijd van Jezus hadden zo’n slechte reputatie dat de rabbi’s zelfs niet toestonden dat mensen er vee in achterlieten. In die beroerde omstandigheden zochten christenen die op reis waren vaak andere gelovigen op om hen onderdak te verlenen.

Onder die vroege reizigers waren valse leraren die ontkenden dat Jezus de Messias was. Daarom schrijft Johannes in zijn tweede brief dat er ook momenten zijn om bepaalde mensen gastvrijheid te weigeren. In zijn eerste brief zegt hij dat zo’n valse leraar een ‘antichrist is (. . .) die de Vader en de Zoon niet erkent’ (1 Joh. 2:22). Wie daarentegen gelooft dat Jezus de Messias is ‘heeft zowel de Vader als de Zoon’ (2 Joh. 1:9).

Vervolgens waarschuwt hij dat ‘als er iemand is die deze leer niet aanhangt, ontvang hem dan niet in uw huis en groet hem niet’ (vs. 10). Als je iemand gastvrijheid betoont die een vals evangelie predikt, dan draag je er in feite aan bij dat mensen van God afgehouden worden.

Zo laat de tweede brief van Johannes de andere kant zien van de liefde van God. We dienen een God die iedereen met open armen ontvangt. Maar ware liefde geeft geen ruimte aan mensen die tot hun eigen schade zichzelf en anderen voor de gek houden. God verwelkomt een ieder die in berouw tot Hem komt, maar Hij zal de leugen nooit omarmen.