In het land waar ik vandaag kom kunnen de winters meedogenloos zijn, met temperaturen ver onder de nul en sneeuw waar geen einde aan komt. Op een zekere bitter koude dag was ik voor de zoveelste keer sneeuw aan het scheppen, toen de postbode langskwam. Hij hield even pauze en vroeg hoe het met me ging. Ik zei dat ik een hekel had aan de winter en alle sneeuw nu wel zat was. Daarna merkte ik op dat zijn werk in deze extreme weersomstandigheden wel erg zwaar moest zijn. Zijn antwoord: ‘Jawel, maar ik heb tenminste werk. Zat mensen hebben niet eens een baan. Ik ben dankbaar dat ik kan werken.’

Ik moet toegeven dat ik me wel overtuigd voelde door zijn houding van dankbaarheid. Hoe gemakkelijk gebeurt het niet dat je alles uit het oog verliest waarvoor je dankbaar kunt zijn, vooral wanneer de omstandigheden minder plezierig zijn.

Aan de gelovigen in Kolosse schrijft de apostel Paulus: ‘Laat in uw hart de vrede van Christus heersen, want daartoe bent u geroepen als de leden van één lichaam. Wees ook dankbaar’ (Kol. 3:15). En aan die in Tessalonika: ‘Dank God onder alle omstandigheden, want dat is wat hij van u, die één bent met Christus Jezus, verlangt’ (1 Tess. 5:18).

Zelfs wanneer je het echt moeilijk hebt en lijden moet doorstaan, kun je Gods vrede kennen en die laten overheersen in je hart. En in die vrede worden we vaak genoeg herinnerd aan alles wat we in Jezus ontvangen hebben. Daarvoor kun je terecht dankbaar zijn.