In zijn boek Onversneden christendom schrijft C.S. Lewis: ‘Vrijwel zeker leeft God niet in de tijd. Zijn leven bestaat niet uit momenten die elkaar opvolgen (. . .) Het is voor Hem voortdurend half elf en elk ander moment sinds het begin van de tijd.’ Toch kan een periode van wachten eindeloos duren. Maar als je leert op God te vertrouwen, de eeuwige Bedenker van de tijd, dan kun je accepteren dat ons fragiele bestaan in zijn handen veilig is.

De dichter van Psalm 102 beklaagt zich erover dat de ‘dagen heengaan als een schaduw’ en als gras dat verdort, terwijl Gods roem zal duren ‘van geslacht tot geslacht’ (vs. 12-13). Moe van het lijden roept de schrijver uit dat God ´voor eeuwig troont´ (vs. 13). Gods kracht en aanhoudende mededogen stijgen ver boven zijn eigen persoonlijke ruimte uit, zo onderstreept hij (vs. 14-19). Zelfs in zijn wanhoop (vs. 20-25) richt de dichter zich op de kracht van God de Schepper (vs. 25). Zijn schepselen zullen vergaan, maar Hij blijft voor eeuwig dezelfde (vs. 27-28).

Als de tijd lijkt stil te staan of zich voort te slepen, dan kan het verleidelijk zijn om God ervan te beschuldigen dat Hij niet erg haast maakt met gebedsverhoring. Je kunt zomaar ongeduldig of gefrustreerd raken met wat er stil staat. Je kunt vergeten dat Hij elke kiezel uitgekozen heeft van het pad dat Hij voor je klaar heeft liggen. Maar Hij laat ons nooit in ons eentje aanmodderen. Als je leeft in geloof in de nabijheid van God, dan kun je dicht bij God leven.