Een kleine gemeente zag een gelegenheid om Gods liefde op praktische manier te laten zien. Volgelingen van Jezus kwamen samen in een plaatselijke wasserette om iets voor hun gemeenschap te doen door kleren te wassen van mensen die het niet zo breed hadden. Ze maakten ze schoon en vouwden ze op, en soms gave er een warme maaltijd of een tas met wat boodschappen bij.

Een van de vrijwilligers kwam erachter dat de grootste beloning bestond in het ‘echte contact met de mensen (. . .) en hun verhalen horen’. Omdat ze een relatie met Jezus hadden, wilden deze gelovigen hun geloof handen en voeten geven met woorden en daden van liefde die tegelijk hielpen echte relaties met de ander op te bouwen.

De apostel Jakobus weet ook dat iedere daad van dienstbaarheid en liefde van een belijdende gelovige een teken van een echt geloof is. Hij schrijft dat het ‘ook zo is met geloof: als het zich niet daadwerkelijk bewijst, is het dood’ (Jak. 2:14-17). Wanneer we ons geloof belijden zijn we kinderen van God, maar het is juist wanneer we Hem dienen door de ander te dienen dat we waarlijk optreden als gelovigen die Jezus vertrouwen en volgen (vs. 24). Geloof en dienstbaarheid zijn niet los van elkaar verkrijgbaar. Ze horen samen als lichaam en geest (vs. 26), een schitterend vertoon van de kracht van Christus die in en door ons werkt.

Wie persoonlijk Gods offer aan het kruis aanvaardt en zich zo schoon laat wassen in volmaakte liefde, kan in actie komen met echt geloof dat overstroomt in manieren om de ander te dienen.