Zwip, zwap. Zwip, zwap.

De ruitenwissers zwiepten heen en weer in een poging om de stromende regen bij te houden, maar wat ze vooral bereikten was dat ik me nog meer irriteerde terwijl ik probeerde te wennen aan het rijden in de gebruikte auto die ik net gekocht had. Het was een oude estate met meer dan 200.000 kilometer op de teller en geen airbags in de deuren die mijn kinderen konden beschermen als er iemand van de zijkant tegen me aan zou rijden.

Voor deze oude bak en wat huishoudgeld dat we hard nodig hadden om boodschappen te kunnen doen, had ik de laatste ‘schat’ die we bezaten verkocht: een Volvo estate uit 1992 met airbags aan de zijkant in de deuren. Tegen de tijd dat we zover waren, was de Volvo het enige dat nog over was. Het huis en de spaarcenten waren al eerder verdwenen toen we onverzekerde maar erg dure medische behandelingen moesten betalen omdat twee gezinsleden aan een dodelijke ziekte leden.

‘Oké, God,’ zei ik nota bene hardop, ‘nu zijn mijn kinderen niet eens meer beschermd als er iemand tegen onze zijkant aanrijdt. Als hen iets overkomt, dan zwaait er wat . . .’

Zwip, zwap. Zwip, zwap. (Slik.)

Direct schaamde ik me diep. In de afgelopen twee jaar had God zowel mijn vrouw als onze zoon van een wisse dood gered. En nu zat ik te mekkeren om ‘dingen’ die ik kwijtgeraakt was. In één klap had ik geleerd hoe snel ik ondankbaar tegenover God kon worden. Onze liefdevolle Vader die zijn eigen Zoon niet gespaard had om mij nieuw leven te geven, had juist ook mijn zoon op een wonderbaarlijke wijze uitgered.

‘Vergeef me, Vader,’ bad ik. Heb ik al gedaan, mijn kind.