Terwijl we rond de kist stonden waar mijn overleden schoonvader in lag, pakte een van zijn zoons de hamer van zijn vader en legde hem naast zijn gevouwen handen. Toen jaren later mijn schoonmoeder overleed, legde een van haar kinderen een stel breinaalden onder haar vingers. Deze lieve gebaren troostten ons doordat ze ons eraan herinnerden hoe vaak ze in hun leven deze voorwerpen hadden gebruikt.

Uiteraard wisten we ook wel dat zij ze in het hiernamaals niet echt nodig zouden hebben. We hadden niet de illusie (zoals de oude Egyptenaren wel hadden) dat gebruiksvoorwerpen of geld of wapens die met iemand mee begraven worden hem beter voorbereiden op het leven na de dood. Als je sterft kun je niets maar dan ook niets meenemen (Ps. 49:17-18; 1 Tim. 6:7).

Niet dat mijn schoonouders volledig onvoorbereid de eeuwigheid in gingen. Die voorbereiding stamde al uit een periode lang voordat ze stierven, toen ze hun leven aan Jezus de Redder toevertrouwden.

Het moment waarop je sterft is niet het moment om ermee te beginnen plannen te maken voor wat erna komt. Ieder van ons moet zijn hart voorbereiden door het geschenk van de verlossing die mogelijk is dankzij Jezus’ offer aan het kruis voor ons gebracht.

Ondertussen werkt de Heer ook aan de nodige voorbereidingen: ‘Wanneer ik een plaats voor jullie gereedgemaakt heb, kom ik terug. Dan zal ik jullie met mee meenemen, en dan zullen jullie zijn waar ik ben’ (vers 3). Hij heeft beloofd om ons een plek voor te bereiden waar we de eeuwigheid met Hem kunnen doorbrengen.